|
Recensent: Edgar Johannsmann
Publicatiedatum: 8 februari 2009
'Leven zonder olie' gaat over de transitie van het tijdperk van fossiele brandstoffen naar een post-fossiele economie. Bakas en Creemers belichten de problemen, de transitiescenario's en vooral de trends die ze zien op weg naar de post-fossiele maatschappij op basis van desk research en interviews met 'deskundigen'.
Dit boek geeft op enkele punten een goede weergave van de problematiek en mogelijke oplossingsrichtingen, maar in zijn algemeenheid is het een veel te eenzijdig en door de mening van de auteurs gekleurd beeld waarbij alles door een roze bril wordt bekeken. Als de auteurs wat neutraler (evenwichtiger balans tussen pessimisme en optimisme) waren geweest in hun analyse en oplossingsrichtingen en Bakas evenveel energie had gestoken in verdieping in de olieproblematiek, als in zijn garderobe, was het wellicht een goed boek geworden. Meer dan een rapportcijfer 4 kan ik er helaas nu niet aan toekennen.
Algemene kritiek
Het is een makkelijk leesbaar en glossy boek, grotendeels gespeend van inhoudelijke diepgang. Dit maakt het weliswaar toegankelijk voor het grote publiek, maar decimeert de wetenschappelijke waarde.
De titel is enigszins misleidend. Men heeft het niet, zoals de titel suggereert, uitsluitend over de olieproblematiek, maar tevens over enkele gerelateerde wereldproblemen: klimaatverandering door het broeikaseffect en de voedselproblematiek. Op zich is dit sterk, ware het niet dat vooral de klimaatproblematiek zeer uitgebreid wordt behandeld, waardoor de behandeling van fossiele brandstoffen en de problematiek daaromtrent niet volledig is. De teneur van het boek is dat we eerder van fossiele brandstoffen af moeten door de hoge CO2-uitstoot die erdoor wordt veroorzaakt en pas in tweede instantie door de disbalans tussen vraag en aanbod (de almaar stijgende vraag en de productie-afname door de eindigheid van de wereldvoorraden). Gevolg is dat een groot deel van het boek, in tegenstelling tot wat de titel doet vermoeden, over klimaatverandering en maatregelen op dit gebied gaat.
De hele teneur van het boek is er een van optimisme en een ongebreideld en niet op feiten gebaseerd vertrouwen in de oplossingsvaardigheid van de mens die alle problemen te boven komt dankzij superieure technologie. Het boek heeft een veel te hoog 'feel good'-gehalte dat geen recht doet aan de situatie waarin we ons bevinden. Dit kan geïllustreerd worden aan hand van de toekomstfragmenten op vele plaatsen in het boek. In deze fragmenten wordt ons steevast een zonnige toekomst voorgespiegeld waarin de problemen zijn opgelost en we omringd zijn door de mooiste technologie (zonder beduidende concessies te hoeven doen aan onze leefwijze).
Het boek is een gelikt verhaal alsof het een business plan is dat aan een geldschieter moet worden gepresenteerd. In SWOT-termen (Strengths, Weaknesses, Opportunities and Threaths): de zwaktes en bedreigingen worden wel genoemd, maar hier wordt zo snel mogelijk overheen gestapt om de lezer te wijzen op de sterktes en de kansen. Deze laatste worden uitvergroot en gevent. Bakas en Creemers nemen hun eigen stelling op p.87 ter harte. Deze stelling luidt dat consumenten gevoeliger zijn voor blijde boodschappen dan voor negatief geformuleerde. Dit overwegend blije boek is een uitvloeisel van hun eigen stelling. Het komt niet over als een gewogen geheel, waarin feiten en meningen kritisch worden gewogen.
Het voorwoord is geschreven door de president-directeur van Shell Nederland, de heer Rein Willems. In zijn voorwoord stelt hij dat hij verheugd is dat veel van de in dit boek gepresenteerde oplossingen van technologische aard zijn. Recensent stelt dat techniek per saldo voor meer (milieu)problemen heeft gezorgd dan dat zij heeft opgelost of ooit zal oplossen (verwijzing naar blogitem "de techniek zal het wel oplossen").
Men hanteert her en der te populair taalgebruik en is bovendien op een enkele plaats disrespectvol; zo noemt men Greenpeace op p.129 'zuurbekjes op geitenwollen sokken'. Dit komt op mij niet over als serieuze auteurs die over een serieus onderwerp schrijven. Het is echter wel in lijn met de hele liberale can-do-will-do-teneur van het boek.
Kritiek op bronnen
Een van de bronnen is het Internationaal Energieagentschap IEA (p.11). Dit instituut heeft haar gezicht de afgelopen jaren verloren doordat zij met voorspellingen over de oliereserves er jaar op jaar naast zat. De auteurs voeren dit instituut meermaals op als belangrijke bron. De lijst van geraadpleegde bronnen (p. 199) bevat weliswaar enkele zeer goede bronnen en ook van auteurs met een meer pessimistische visie. Deze bronnen worden wel genoemd, maar we vinden deze tegengeluiden niet terug in het overwegend positieve verhaal van Bakas en Creemers.
De bronnenlijst is bovendien vrij beperkt in omvang voor een boek als dit en de verwijzing voldoet in ieder geval niet aan (wetenschappelijke) standaarden. De auteurs hanteren geen duidelijke bronverwijzingen. Het is onduidelijk wanneer zij een bron citeren en wat hun eigen mening en visie is. Een eigen stellingname en visie ontbreekt grotendeels. Dit is veilig; alleen andermans mening weergeven. Als die achteraf niet blijkt te kloppen, kan men zelf nooit gezicht verliezen. Men verschuilt zich achter meningen en rapporten van anderen. In de credentials op de achtercover vindt men deze heren vaak visionair. Van dit visionaire bespeur ik in dit hele boek bitter weinig.
Op p.115 wordt de Bestuursvoorzitter van PSA Peugeot Citroën kritiekloos geciteerd als hij zegt dat de autovervuiling het makkelijkst kan worden bestreden door de 20% oudste auto's van de weg te halen. Hierbij had op z'n minst een relativerende opmerking gepast waarbij men attendeert op de belangen die deze persoon bij zijn eigen uitspraak heeft. Dit is wederom een voorbeeld van het beperkte wetenschappelijke en journalistieke gehalte van dit boek. Men is hiermee eenvoudig doorgeefluik/spreekbuis van de geciteerde of geïnterviewde personen of erger men haalt bewust eenzijdige meningen van derden aan zonder kritische tegengeluiden om het eigen betoog kracht bij te zetten.
De olieproblematiek en het fenomeen Peak oil
De auteurs nemen het fenomeen peak oil (de term peak oil is hét trefwoord voor de olieproblematiek. Peak oil staat voor het moment waarop de helft van de totale wereldolievoorraad is verbruikt) niet erg serieus. Ze hebben het erover dat de waarheid ergens in het midden zal liggen tussen nog jarenlange probleemloze olievoorziening en een wereldbrand ten gevolge van een desastreus groot verschil tussen vraag naar en aanbod van olie. Men heeft het zelfs over de mogelijkheid dat we nog 50 of zelfs 150 jaar over olie beschikken (p. 17), terwijl alle voorraadvoorspellingen van de Association for the Study of Peak Oil ASPO tot de oliemaatschappij BP aangeven dat we tussen 2007 en uiterlijk 2010 in de wereldoliepeak zitten. Of we daadwerkelijk nog over olie beschikken is minder relevant. Het is de enorme prijsstijging rond het peakmoment die het werkelijke probleem vormt. Hun uitspraak over fysieke voorraden is dus niet onjuist, maar niet echt relevant en geeft daarmee onterecht een geruststellend gevoel aan de lezers. Iets verderop in het boek op p. 25 zien we juist weer een uitspraak gebaseerd op het IEA die voornoemde uitspraak tegenspreekt. Daar staat dat het IEA de oliepeak in 2012 voorziet en dat we alleen met mondiaal vereende krachten een nieuw energietijdperk tegemoet kunnen treden.
Ondanks de titel en de uitgebreide inleiding wordt er niet ingegaan op enkele fundamentele kenmerken van en problemen bij oliewinning. Kenmerkend voor deze omissie is het ontbreken van de naam M. King Hubbert. Deze voormalig Shell-geoloog is de grondlegger van het concept Peak oil. Hij voorspelde met zijn methode in de jaren vijftig reeds exact het peakmoment van de Texaanse olievelden in de jaren zeventig. Bij zijn voorspelling werd hij voor zonderlinge gek versleten, maar toen zijn voorspellingen zo'n twintig jaar later feilloos uitkwamen werd hij gerehabiliteerd en tot goeroe verheven. Deze man is zo belangrijk bij analyse van de olieproblematiek, dat hij en zijn werk niet hadden mogen ontbreken in een boek als dit.
Afgezien van voornoemde belangrijke kritiekpunten is de algemene introductie over fossiele brandstoffen en de problematiek daaromtrent vrij goed en uitgebreid. Ook de historische uitleg over energiecrises is goed, alsmede de uitleg over geopolitieke aspecten (de inzet van olie als machtsmiddel ter bereiking van politieke doelstellingen).
Op p. 45 heeft men het over het peakmoment dat tussen 2010 en 2015 zou liggen. Dit klopt niet; zie eerdere passage hierover.
Men gaat onvoldoende in op het feit dat er al zeer lang geen substantiële hoeveelheden makkelijk winbare olie meer worden gevonden. Men noemt daarentegen wel enkele vormen van moeilijker winbare olievondsten, maar geeft daarbij niet aan dat dit maar druppels op een gloeiende plaat zijn. Men wekt dus de illusie dat dit mogelijke oplossingen zijn. De lezer krijgt zo een te positieve voorstelling van zaken voorgeschoteld.
Geschetste toekomstscenario’s
Men beschrijft drie toekomstscenario's:
1. Het Paaseilandscenario (worst case mondiale ondergang van beschaving)
2. Het Lutherscenario (tijdige transitie; alles komt goed door vereende krachten en technologie)
3. Het struisvogelscenario (ontkenning; na ons de zondvloed)
De scenario's worden maar zeer beknopt en niet helder beschreven. Scenario 1 en 2 zijn duidelijk, maar scenario 3 niet en zeker niet het verschil tussen 1 en 3.
Megatrends
Bakas en Creemers beschrijven tientallen trends die allen te categoriseren zijn onder 7 z.g. megatrends:
1. Nieuwe energiepolitiek - overheidsingrijpen in energiesector
2. Vergroening van het bedrijfsleven
3. Nieuwe burgerinitiatieven op energiegebied
4. Automobielinnovaties en alternatie vracht- en openbaar vervoer
5. Druk op de luchtvaart en ander vlieggedrag
6. Vernieuwingen bij energieaanbieders
7. Nieuwe woon- en werkconcepten
Deze megatrends en de eronderliggende trends leiden volgens de auteurs tot het Lutherscenario, zonder dat zij dit voldoende beargumenteren.
Interrelatie met andere wereldproblemen
Goed punt is de koppeling die wordt gemaakt met twee andere grote wereldproblemen; namelijk klimaatverandering en overbevolking. (Door verbranding van fossiele brandstoffen en de daarbij vrijkomende broeikasgassen neemt de temperatuur op aarde toe, met alle ecologische gevolgen van dien en door bevolkingstoename neemt de vraag naar (fossiele)energie toe, waardoor de tekorten groter worden en de urgentie voor een energietransitie toeneemt). Het overbevolkingsprobleem wordt zeer beknopt behandeld en een probleem dat slechts genoemd, maar niet behandeld wordt, maar dat zowel met overbevolking, als met de olieproblematiek te maken heeft, is het voedselprobleem. In de media wordt dit ook wel met de term 'voedselcrisis' aangeduid. Het is op zich logisch dat men ergens een grens trekt wat wel en niet te behandelen binnen het kader van het boek, maar één ding hadden zij zeker moeten vermelden en dat is de omvang van het belang van fossiele brandstoffen bij de voedselproductie. Fossiele brandstoffen zijn niet alleen van belang voor de operatie van landbouwwerktuigen en het transport, maar vooral ook voor de productie van kunstmest en pesticiden. Er bestaat geen alternatieve grondstof voor kunstmest en pesticiden. Als we niet meer over kunstmest en pesticiden beschikken kunnen we nog maar 2/3 van de monden vullen. Tekorten aan fossiele brandstoffen kunnen dus in het ergste geval tot ondervoeding of zelfs verhongering van 2/3 deel van de mensheid leiden.
Kernsplitsing als vermeende oplossing
Er wordt (op p. 74, 148 en 171 e.v) gepleit voor intensivering van de investeringen in kernenergie (conventionele kernsplitsing). Zoals ik al vaker in publicaties heb aangeven, is kernenergie geen oplossing. Dit is geen politieke mening, maar een feit. Het is noch economisch, noch uit ethisch oogpunt een verantwoorde keuze. Daarenboven komt dat iedere Euro die in kernenergie wordt geïnvesteerd niet in duurzame energie kan worden geïnvesteerd. Sterker nog: iedere Euro die in kernenergie wordt geïnvesteerd zonder dat alle negatieve externe effecten in de kostprijs zijn verwerkt, maakt duurzame energiebronnen minder competitief en dus minder attractief. Degenen die kernenergie desalniettemin als (deel)oplossing positioneren, hebben ofwel hun huiswerk niet goed gedaan, ofwel zijn immoreel omdat zij zich er niet om bekommeren dat zij toekomstige generaties met een enorm afvalprobleem opzadelen. Bakas en Creemers hebben zich niet goed verdiept of willen verdiepen in de nadelen van kernenergie, die ertoe leiden dat kernenergie absoluut geen alternatief kan zijn. Als het gaat om de kostprijsdiscussie zitten ze er faliekant naast. Ze stellen dat kernenergie nu relatief duur is in relatie tot andere energiebronnen, maar dat dit komt doordat bij die andere bronnen de verborgen kosten van CO2-reductie en -opslag nog niet zijn verdisconteerd in de kostprijs (p. 172). Deze redenering klopt niet, want bij de kostprijs van kernenergie worden de kosten van eeuwenlange bewaking en opslag ook niet meegenomen. Als dit wel zou gebeuren is kernenergie een veel duurder alternatief!
Kernfusie
Op p. 75 wordt gesteld dat er voor de lange termijn geen serieus alternatief voor kernfusie zou zijn. Hiermee stelt men dat de mensheid hoe dan ook kernfusie nodig heeft. Dat kernfusie een prachtige energiebron zou zijn, ben ik het mee eens, maar onmisbaar is zij geenszins. Andere duurzame energiebronnen volstaan uitstekend.
Geo-engineering
Op p. 78 worden enkele zogenaamde geo-engineering maatregelen tegen klimaatverandering gepresenteerd. Ik heb twee bezwaren tegen geo-engineering: 1. Het is slechts symptoombestrijding en 2. we kennen de mogelijke negatieve effecten (op lange termijn) niet. Terecht stellen de auteurs dat er nog nader onderzoek naar dit soort oplossingen moet worden gedaan.
Klimaatcompensatie
Men noemt klimaatcompensatie (door boomaanplant) als middel tegen CO2 emissie (o.a. op p. 102 en 152). Dit werkt echter niet. Boomaanplant is een nonsense-middel. Het is slechts tijdelijke opslag van CO2 die aan het einde van de levensduur van de boom weer vrijkomt. Pas nadat men deze maatregel diverse malen als serieuze oplossing heeft genoemd, stelt men op p. 155 dat 'de suggestie dat vliegen schadeloos zou kunnen door een paar bomen te planten, onzinnig is'.
Biobrandstoffen
De nadelen van eerste generatie biobrandstoffen (dit zijn brandstoffen uit gewassen die concurreren met voedsel, zoals mais) worden goed uit de doeken gedaan. Ook beschrijft men de veelbelovende toekomst van tweedegeneratie biobrandstoffen (uit cellulose; niet concurrerend met voedselgewassen), maar ten aanzien van derde generatie biobrandstoffen (uit algen) geeft men aan dat deze ontwikkeling nog in de kinderschoenen staat. Dit laatste is niet het geval. Dit is een hoge potentiële oplossing. Deze ontwikkeling bevindt zich echter nog niet in grootschalig productiestadium.
Vooringenomenheid en foutieve assumpties
Op p. 139 (en op p. 151) stelt men dat de wereldeconomie zal groeien en dat de middenklassen wereldwijd groter worden. Nergens staat waar deze assumptie van economische groei op is gebaseerd. Nu in 2009 kunnen we ook constateren dat Bakas en Creemers het niet bij het juiste eind hebben gehad met deze verwachting. Het toenemen van de middenklasse is inderdaad iets wat je in het heden ziet; maar deze heren pretenderen ons iets te vertellen over de toekomst in het post-carbon tijdperk. Bij een economische depressie en maatschappelijk verval ten gevolge van de oliecrisis (het Paaseilandscenario en Struisvogelscenario) is het echter zeer aannemelijk dat de middenklasse verdwijnt. Steeds weer blijkt dat deze heren gefixeerd zijn op één scenario (hun 'Lutherscenario') en dat ze bij de bespreking van onderwerpen steeds impliciet van dit scenario uitgaan en de andere scenario's in het geheel niet meer bespreken.
Tegenstrijdigheden en niet-onderbouwde toekomstverwachtingen
Bij de bespreking van de toekomst van de luchtvaart op p. 141 zegt men tegenstrijdige zaken. Eerder zegt men grote negatieve gevolgen voor de luchtvaart te zien, omdat er nauwelijks brandstofalternatieven voor kerosine zijn, maar op p. 141 stelt men dat mensen vooral voor de langeafstandsvakanties nog het vliegtuig zullen blijven pakken. Men voorziet geen overheidsmaatregelen die het vliegen aan banden leggen, zoals vliegen 'op de bon' (p.139). Mensen die dit voorzien, zoals Monbiot doet men af als 'somber', zonder dit te omkleden met argumenten. 'De waarheid zal wel ergens in het midden liggen', zegt men voor de vuist weg, als het gaat om de ernst van de oliecrisis voor de luchtvaart. Is dit wat Bakas onder 'trendwatching' verstaat? Dit gebeurt voortdurend in het boek: men komt met assumpties over toekomstscenario's zonder deze aannemelijk te maken met feiten en argumenten. Dit lijkt meer op de werkwijze van paranormale zieners met glazen bollen, dan op serieus wetenschappelijk onderbouwd toekomstonderzoek/scenarioplanning. Vervolgens komt men op p.148 juist met een tegengestelde verwachting, waarbij men aangeeft dat er in de toekomst maxima worden gesteld aan het vliegverkeer. Men heeft het over een 'nieuw soort airmiles'. Dit betekent dus dat vliegen wel 'op de bon' gaat.
Drogredeneringen
Op diverse plaatsen heeft men het over vroegtijdige vervanging van oude auto's en vliegtuigen door schonere nieuwe. In ieder geval voor auto's gaat deze redenering niet op; de productie van een auto kost meer energie en levert meer schadelijke emissie op dan de auto gedurende zijn gehele levensduur uitstoot.
Impliciete westers-politieke neo imperialistische uitgangspunten
Bakas en Creemers stellen dat overbevolking het wezenlijke probleem in de wereld is (p 152). Dit zou men als juist kunnen zien, maar dan bekijk je het vanuit ons huidige westerse perspectief. Je zou ook kunnen stellen dat de aarde makkelijk 6 of in de toekomst 9 miljard mensen in hun levensbehoefte zou kunnen voorzien. In dat geval moeten we onze vervuilende en grondstofverspillende levenswijze echter wel radicaal afschaffen en de middelen die de aarde ons biedt eerlijk verdelen. Deze gedachtegang komt echter niet op bij de auteurs.
Geloofwaardigheidsgehalte
Mijn beeld van het intellectuele niveau van de auteurs bereikt z'n voorlopige dieptepunt op p. 153/154. Men verwacht dat de geluidsnormen van luchthavens minder stringent zullen worden om de CO2-doelstellingen te halen, maar nu komt het: men suggereert serieus dat de doven nu maar bij elkaar rond schiphol gaan wonen! Hoofddorp 'dovenstad' is het devies.
Bakas laat zich op de achterflap omschrijven als geestig, optimistisch, visionair, onorthodox, vernieuwend en toekomstgericht. Al deze kwalificaties zijn wat mij betreft van toepassing op voornoemde oplossing voor onze dove medelanders, alleen of dit zijn geloofwaardigheid ten goede komt, betwijfel ik ten zeerste.
Klap op de vuurpeil is de niet van megalomanie gespeende uitspraak van ex-koning Willem Alexander in 2040 dat 'Adjied Bakas en Rob Creemers in 2007 met hun boek Leven zonder olie het denken over energie bij menigeen veranderden’.
Boekgegevens
1e druk 2007
ISBN 978 90 5549 566 5/ NUR 780
Auteurs: Adjiedj Bakas en Rob Creemers
|