|
Denkwerk organisatieadvies leent zich niet voor certificering |
Auteur: Edgar Johannsmann
Publicatiedatum: 13 oktober 2009
Certificering van kennis en beroepen neemt een steeds grotere vlucht. Allerlei vakverenigingen werpen zich op als certificeringsinstantie, zo ook de vakverenigingen van organisatieadviseurs. Certificering leent zich echter uitsluitend voor routinematig werk en niet voor het hogere denkwerk, waar klassiek organisatieadvieswerk uit bestaat.
Waarom is certificering zo populair
Dat certificering onder andere in de organisatieadvieswereld zo populair is komt door de vraag naar zekerheid aan cliëntzijde; men wil immers graag het kaf van het koren kunnen scheiden. De branche beoogt met certificering professionaliteit en betrouwbaarheid van de beroepsgroep uit te stralen. Het dient een vorm van zekerheid aan cliënt en maatschappij te verschaffen. De overheid laat het jammerlijk afweten als het gaat om bescherming van het beroep van organisatieadviseur en laat het over aan het zelfregulerend vermogen van de branche. De vakvereniging regelt het op haar beurt graag zelf; zij krijgt hierdoor meer macht en aanzien en kan als gunstige bijkomstigheid ook nog eens aardig haar kas spekken. Ook de adviseurs zelf zijn gretig als het gaat om certificering; zij kunnen de batterij titels achter hun naam verlengen en hopen daarmee serieuzer te worden genomen door potentiële cliënten. Kortom: iedereen is tevreden met deze vorm van branchecertificering, maar het levert slechts schijnzekerheid.
Routinematig werk valt te certificeren; hoger denkwerk niet
Het enige soort werk dat zich leent voor certificering is routinematig werk. Onder routinematig werk wordt verstaan: "standaardmethoden en -oplossingen voor standaardproblemen die repetitief plaatsvinden". Denk bijvoorbeeld aan projectmanagement. Ieder project is weliswaar tot op zekere hoogte uniek, maar het kan door een voor projectmanagementmethode x gecertificeerde projectmanager iedere keer met deze methode worden uitgevoerd. Ook gestandaardiseerde kennis en vaardigheden als boekhouden of het begeleiden van workshops valt te certificeren.
Onorthodox denkwerk van bijvoorbeeld Albert Einstein (of andere grote denkers) valt echter niet te certificeren. Noch de inhoud van hun denken, noch de aanpak (het denkproces). Kenmerkend voor de grote denkers en hun uitvindingen is juist dat zij er een unieke denkwijze op nahielden, waarbij ze de gebaande denkpaden konden en durfden te verlaten. Dit hoog niveau denkwerk vormt een intellectueel en creatief proces dat slechts door weinigen tot stand kan worden gebracht. Avantgardistische denkers laten zich niet in een certificatiekeurslijf dwingen. Het zou hun denken eerder belemmeren dan ten goede komen.
Wat men eventueel wel zou kunnen doen is mensen opleiden in ‘anders en beter denken’, een onderwerp waarover bijvoorbeeld Edward de Bono veel heeft geschreven. Dit is het z.g. ‘out of the box-denken’. Hierbij wordt het creatief probleemanalyserend en –oplossend vermogen gestimuleerd. Niet iedereen zal echter in staat zijn zich dit in voldoende mate eigen te maken. Dit heeft te maken met talent van de grote denkers enerzijds en de beperkingen bij de gemiddelde mens (en organisatieadviseur).
Ditzelfde geldt voor het werk van de ‘denkers’ onder de organisatieadviseurs (dit onderscheid dient gemaakt te worden, want er zijn vandaag de dag helaas ook veel ‘doeners’ die zich organisatieadviseur noemen). In optiek van de auteur valt het ware organisatieadvieswerk, waarbij een adviseur wordt ingehuurd voor zijn denkkracht en om zich te buigen over een complex en uniek probleem, dan ook niet te certificeren. Sterker: certificering leidt hier tot een onverteerbare eenheidsworst; men verkiest een niet-adequate, gecertificeerde standaardaanpak voor een uniek en complex probleem, waardoor het probleem niet juist wordt geanalyseerd, gediagnosticeerd en derhalve ook niet correct wordt opgelost. . Risico van certificering is dat het probleem congruent wordt gemaakt aan de methode, in plaats van andersom.
Conclusie
Moraal van dit verhaal: certificering kan ongetwijfeld nuttig zijn voor het routinematige deel van het organisatieadvieswerk, maar geeft geen enkele zekerheid bij het analyseren en oplossen van complexe en unieke vraagstukken. Het staat de denkvrijheid zelfs met grote waarschijnlijkheid in de weg.
|